Home > Winkel > Ruiken > Geurkaarsen

 

Geurkaarsen

De Etruriërs, een ontwikkeld volk in Midden-Italië, (nu Toscane), enkele eeuwen voor Christus, gebruikten als verlichting een touw gedrenkt in pek, olie of vet. Er zijn aanwijzingen dat al veel eerder kaarsen voor verlichting werden gebruikt. In de graftombe van Toetanchamon (14e eeuw voor Chr.) zijn kandelaars (of toortshouders) aangetroffen. In de Romeinse tijd verschijnt de kaars definitief ten tonele. Vet of was diende als brandstof.
Een belangrijke tijd voor de kaars was de middeleeuwen. De kaars was toen de voornaamste bron van kunstverlichting. Kaarsenmakers waren verenigd in het Kaarsenmakergilde. De gewone kaars werd gemaakt van vet (talg), de kerkkaars van bijenwas. De vetkaarsen brandden lang niet zo mooi als de waskaarsen.
Een vetkaars was zacht, walmde, gaf roet, droop altijd wat en gaf geen aangename geur (als gevolg van het ontstaan van acroleïne). De pit was gemaakt van getwijnde katoendraden, waarvan het verkoolde uiteinde van tijd tot tijd afgeknipt (gesnoten) moest worden.
De kaarsen brandden regelmatig genoeg om als een klok gebruikt te worden. Er waren 12-uurskaarsen en 24-uurskaarsen verkrijgbaar met horizontale ringen die de uren aangaven.
Eind 18e eeuw komt de visserij op de potvis met een alternatief voor vet en was. Kaarsen konden worden bereid uit een vettige stof uit de kop van de potvis, spermacetiofwalschot genoemd, die voornamelijk bestaat uit cetylpalmitaat. Deze werd bereid door uitgekookt walvisvet bij koud weer (6 graden C) uit te laten kristalliseren. Hiervan produceerde men de smeerkaars.
Daarnaast ging men ook kaarsen toepassen voor het meten van tijd, waarvoor men een aantal kaarsen van gelijke lengte gebruikte. Iedere kaars werd gemerkt met strepen op onderling gelijke afstand, waarbij de afstand tussen elke merkstreep overeen kwam met een door ervaring verkregen tijd.
De kaarsenmakerij was het onderdeel van de chemische industrie dat in de negentiende eeuw in schaal het meest veranderde, aan het begin van die eeuw werden de kaarsen vooral gemaakt door kleinschalige ambachtslui in eenmansbedrijfjes, terwijl er enkele decennia later een drietal zeer grote kaarsenfabrieken waren in: Amsterdam, Schiedam en Gouda, met een afzet van miljoenen kaarsen
De kaarsenfabricage maakt in de 19e eeuw een grote ontwikkeling door, die begon met de ontdekking van stearine. Stearine, een mengsel van stearinezuur en palmitinezuur werd in 1823 ontdekt door de Fransman Eugène Chevreul.
Hij onderzocht allerlei vetten en toonde aan dat deze verbindingen zijn van een vloeistof (glycerol) en van een mengsel van min of meer vaste stoffen (vetzuren).Van de vetzuren scheidde hij door persen een vaste harde fractie